Château de l’Islette, het paradijs van Camille Claudel

Op nog geen twee kilometer ten westen van Azay-le-Rideau ligt, verscholen achter een fraaie zeventiende eeuwse poort, Château de l’Islette. Dit prachtige renaissance kasteel, dat vaak het kleine broertje van Azay wordt genoemd, is vanaf de openbare weg amper te zien. Eenmaal door de poort waan je je in een paradijs. Omarmd door de rivier de Indre ademt het kasteel, inclusief de schitterende tuin, een sfeer van lang vervlogen tijden uit. Het is goed voor te stellen dat Auguste Rodin en Camille Claudel op deze idyllische plek een aantal zomers hebben doorgebracht.

chateau-de-lislette

Château de l’Islette wordt vaak in een adem genoemd met de Franse beeldhouwers Auguste Rodin (1840-1917) en Camille Claudel (1864-1943). Op deze locatie hebben ze niet alleen hard gewerkt, maar vooral genoten van de prachtige omgeving in elkaars gezelschap. Een leven als god en godin in Frankrijk, ver weg van alle misère in Parijs, zonder belerende opmerkingen of jaloerse blikken van anderen. Een sprankje van dit gevoel blijkt uit een brief die Claudel in de zomer van 1892 aan Rodin schrijft, wanneer zij alleen op Château de l’Islette verblijft.

U kunt zich niet voorstellen hoe heerlijk het is in l’Islette. Vandaag heb ik de maaltijd gebruikt in de middenkamer (die als serre dienst doet) waar je de tuin van beide kanten ziet. Madame Courcelle heeft me voorgesteld (terwijl ik er met geen woord van heb gerept) dat u er af en toe zou kunnen eten en zelfs altijd, als u dat prettig zou vinden, (ik geloof dat zij niets liever wil) en het is er zo mooi. Ik heb in het park gewandeld, alles is gemaaid, koren, haver, hooi, je kunt overal vrij doorheen, echt heerlijk. Als u zo lief bent uw belofte gestand te doen, gaan we hier het paradijs beleven. U kunt de kamer krijgen waar u zo graag werkt. Het oudje ligt volgens mij voor u op de knieën. Ze heeft me gezegd dat ik in de rivier kan baden, haar dochter en de meid doen het zonder dat er gevaar bij is. Met uw goedvinden ga ik het ook doen, want het is echt een genoegen en dan hoef ik niet naar de warme baden in Azay. Wees zo lief om een donkerblauw badkostuum voor me te kopen, met witte biesjes, tweedelig, lijfje en pantalon (middelste maat) bij het [Grand Magasin du] Louvre of bij de Bon Marché (van serge) of in Tours! Ik slaap helemaal naakt om me in te beelden dat u er bent, maar als ik wakker word is het niet hetzelfde. Ik omhels u, Camille. Bedrieg me vooral niet meer.

De Loire en zijn kastelen
In Musée Rodin wordt een kwitantie bewaard van een poststuk dat Rodin op 3 juli 1892 naar Claudel in Azay-le-Rideau heeft gestuurd. Het is goed mogelijk dat dit het gevraagde badkostuum betreft. Claudel blijft tot eind oktober in de Touraine en creëert in deze periode een van haar meest geliefde beelden, La Petite Châtelaine. Het is het derde jaar dat zij hier verblijft, alleen deze keer is het zonder Rodin.

In de zomer van 1889 hebben Rodin en Claudel het kasteel in de Touraine ontdekt. Ze zijn de stad Parijs ontvlucht vanwege alle drukte rondom de wereldtentoonstelling en trekken onder andere langs de Loire. Frankrijk en specifiek het Loire gebied kent schitterende kastelen en Rodin wil niets liever dan deze bezoeken en tekenen. Veel van deze tekeningen zijn te bewonderen in het boek Rodin & La Loire dat in 2007 is uitgebracht. De Loire is de langste rivier van Frankrijk en stroomt vanaf de Alpen naar de kust bij Nantes, een afstand van meer dan 1000 kilometer. De meeste kastelen zijn in de vijftiende en zestiende eeuw gebouwd in het gebied tussen Orléans en Angers. In tegenstelling tot hun middeleeuwse voorgangers zijn de renaissance kastelen niet gebouwd ter versterking en verdediging, maar tonen zij de pracht en praal van de Franse adel.

Overeenkomsten met Château Azay-le-Rideau
Vanaf 2010 is Château de l’Islette open voor publiek (zie www.chateaudelislette.fr). Het langgerekte kasteel heeft drie verdiepingen en wordt geflankeerd door twee imposante torens. Ooit stond op deze plek een middeleeuws bouwwerk omgeven door water. De naam ‘Islette’ verwijst nog naar dit eilandje. De vroegste schriftelijke vermeldingen gaan terug naar de late dertiende eeuw. Rond 1500 is men gestart met de verbouwing tot een renaissance kasteel wat destijds een trend in Frankrijk was. In het midden van de zestiende eeuw is Château de l’Islette voltooid, naar het schijnt door dezelfde vakmensen die het kasteel van Azay-le-Rideau hebben gerealiseerd. Dit verklaart de gelijkenissen die aanvankelijk nog sterker zijn geweest. Tot het begin van de negentiende eeuw heeft ook Château de l’Islette een slotgracht. De groeven van de ophaalbrug bevinden zich nog steeds aan de voorzijde van het kasteel, vlak naast het familiewapen. Een andere, voormalige overeenkomst met Azay zijn de spitse en decoratieve torens en dakkapel. Met de verwijdering hiervan heeft het kasteel zijn huidige, classicistische uitstraling gekregen. Het kasteel is nog steeds bewoond. In de zomermaanden geven de eigenaren rondleidingen die zeer de moeite waard zijn.

Hard werken
In juni en juli 1890 verblijven Claudel en Rodin voor het eerst als hôtes payants bij Madame Courcelle op Château de l’Islette. Het kasteel is sinds 1861 in haar familie. Om extra inkomsten te genereren, verhuurt zij kamers. De ligging is gunstig want het station van Azay-le-Rideau is op loopafstand. Van hieruit kan men de omgeving verkennen en tochten maken door de Touraine. In juli 1891 krijgt Rodin de opdracht om een monument voor de schrijver Honoré de Balzac te realiseren. Wanneer hij erachter komt dat Balzac in Tours is geboren, is de keuze gauw gemaakt om wederom een paar maanden met Claudel op Château de l’Islette door te brengen. Na maanden hard werken, keren ze half oktober 1891 terug naar Parijs. Dat ze in Islette opzien baren, is niet in de laatste plaats vanwege hun werkzaamheden. Rodin en Claudel laten hun klei, gips en marmer aanslepen. Regelmatig komen er mensen over de vloer die spullen afleveren of model zitten. Op de begane grond worden de zware materialen bewerkt en in de oostelijke toren op de tweede verdieping hebben ze een atelier ingericht voor het lichtere werk. Zelf slapen ze in de torenkamer op de eerste verdieping, grenzend aan de middenkamer die Claudel in haar brief noemt.

Uit Claudels correspondentie in de jaren 1890 en 1891 blijkt hoe druk zij het heeft met Rodins opdrachten. In deze jaren lukt het haar niet om eigen beelden op de Salon te exposeren. Aan de kunstverzamelaar Léon Gauchez schrijft ze in augustus 1891: Ik heb niet veel nieuwe dingen dit jaar omdat ik nog steeds werkzaam ben bij Monsieur Rodin die erg druk is met zijn monumenten en die bijna geen werknemers heeft om hem te helpen. Ik ben verantwoordelijk….

Twee zwangerschappen
In mei 1892 besluit Claudel om tot eind oktober naar Château de l’Islette te gaan. Het is goed mogelijk dat deze lange periode niet alleen noodzakelijk is om zich aan haar eigen oeuvre te wijden, maar ook om een zwangerschap te verbergen. Net als in 1886 toen zij ruim vier maanden naar Engeland is geweest. Jessie Lipscomb, die samen met Claudel in Rodins atelier heeft gewerkt, heeft altijd volgehouden dat Camille Claudel twee onwettige kinderen van Rodin heeft gehad. In 1886 heeft Rodin beloofd om met Claudel te trouwen. Ruim honderd jaar later is zijn handgeschreven belofte teruggevonden. Er is nooit iets van terecht gekomen. Claudel heeft haar kinderen moeten afstaan en uiteindelijk gekozen voor een eigen carrière als beeldhouwster, zonder Rodin.

Van juni tot augustus 1892 houdt Claudel zich op Château de l’Islette bezig met haar groep walsers. In 1889 was ze hier al mee bezig, maar door de vele werkzaamheden voor Rodin is de groep nog niet gereed. In de Touraine ontwerpt ze de draperieën en voltooit het beeld. La Valse markeert het begin van Claudels eigen stijl en laat zien dat de invloed van Rodin volledig verdwenen is. Het beeld resoneert op niet mis te verstane wijze met de kunstuitingen die wij tot de Art Nouveau rekenen. In 1893 presenteert zij een eerste gipsen versie op de Salon du Champ-de-Mars die een jaar later in brons bij La Libre Esthétique in Brussel is te zien. Een tweede versie in grès flammé is in 1895 te zien bij Bing in zijn Maison de l’Art Nouveau. Er zijn zeven variaties in verschillende materialen en afmetingen bekend van deze tweede versie. La Valse is daarmee een van de meest geliefde beelden.

afb. 1 La Valse BHFOTOGRAFIE1

La Valse en La Petite Châtelaine
In het dagboek van Marie Boyer, dochter van Madame Courcelle en moeder van Marguerite, is te lezen dat Claudel in september 1892 voor het eerst begint met studies voor La Petite Châtelaine. Ruim zestig keer poseert de zesjarige Marguerite Boyer op Château de l’Islette. De buste wordt voor het eerst geëxposeerd in Brussel bij La Libre Esthétique in 1894 als Contemplation. Een maand later is zij te zien op de Salon du Champ-de-Mars als Portrait d’une petite châtelaine. Het kasteelmeisje spreekt tot de verbeelding van velen en raakt mensen diep. Sinds de allereerste verschijning is men enthousiast over de fascinerende en ontroerende buste, die niets dan lof ontvangt in kranten en tijdschriften. In 1895 krijgt Claudel maar liefst vier opdrachten om haar kasteelmeisje in marmer te kappen. Aan haar kinderen en kleinkinderen heeft Marie Boyer verteld dat Rodin destijds naar l’Islette is gekomen met zijn leerlinge Camille Claudel om te werken. Hun atelier bevond zich op de tweede verdieping in een van de torens van het kasteel en Camille heeft daar haar buste van La Petite Châtelaine gemaakt, in 1892, en het is mijn dochter (de kleindochter van Madame Courcelle) die op de leeftijd van zes jaar als model heeft gediend.Een techniek die zij, in tegenstelling tot Rodin, perfect beheerst.

Voor Camille Claudel is Château de l’Islette onlosmakelijk verbonden met La Valse & La Petite Châtelaine. Wat begon als een liefdesparadijs met Rodin is geëindigd in een plek die haar de kracht heeft gegeven om te kiezen voor haar eigen oeuvre. Het is een idyllische plek die nog steeds het geheim koestert van het ware kasteelmeisje.

© tekst Karin Haanappel
© beeld Bernd Haanappel

magazine-en-route-nr-150-najaar-2016

Dit artikel is verschenen in En Route Magazine (nummer 150, najaar 2016). Om de PDF te downloaden, klik hier: het-paradijs-van-camille-claudel-door-karin-haanappel-2016

Claude & Camille – La Valse

Een muzikale blik op Camille Claudel
Deze tekst is verschenen in de booklet van de CD Claude & Camille – La Valse (2001)

Veel gebeurtenissen in het leven van de beeldhouwster Camille Claudel (1864-1943) zijn helaas fragmentarisch bekend. Een groot deel van haar correspondentie is verdwenen, haar vrienden waren zeldzaam en ze leefde vrij teruggetrokken.
De laatste jaren is een groeiende interesse voor Camille Claudel waar te nemen, wat geleid heeft tot de nodige onderzoeken, publicaties en exposities. Toch zijn lang niet alle mysteries uit haar leven opgehelderd, waaronder haar binding met de muziek en in het bijzonder haar relatie met de componist Claude Debussy (1862-1918).

Omstreeks de jaren 1888/89 heeft waarschijnlijk de eerste ontmoeting tussen Camille Claudel en Claude Debussy plaatsgevonden. Wat voor (liefdes)relatie hebben zij gehad? Het is heel moeilijk hier een gefundeerd antwoord op te geven, omdat bewijsmateriaal ontbreekt. Robert Godet, een vriend van Debussy, schreef dat Camille met nieuwsgierigheid luisterde, wanneer hij voor haar speelde op de piano. Na elke voordracht sprak zij dezelfde woorden: “geen commentaar Monsieur Debussy”. Debussy op zijn beurt, was erg onder de indruk van Camille en haar kunstwerken. We weten dat hij tot aan zijn dood in 1918 een exemplaar van La Valse in bezit had. Zou Camille zich hebben laten inspireren door de muziek van Debussy bij het creëren van La Valse?

De relatie tussen Camille en Debussy was van korte duur. In 1891 schreef Debussy aan Robert Godet “dat een jonge vrouw, die hij zeer bewonderde en liefhad, hem abrupt had verlaten en dat hem dat zeer aan het hart ging”. Was deze jonge vrouw Camille Claudel? We weten het niet zeker. Wel heeft deze breuk waarschijnlijk geleid tot de muzikale bewerking van het symbolistische toneelstuk Pelléas et Mélisande van Maurice Maeterlinck, de enige opera die Debussy voltooide. Sommigen beweren dat de ware Debussy geboren werd na de breuk met Camille, gezien de vele, beroemde composities die hij toen creëerde.

In alle literatuur na 1891 is er geen sprake meer van een relatie tissen Claude Debussy en Camille Claudel. Een reden waarom Camille geen contact meer met Debussy opnam, was waarschijnlijk haar relatie met Auguste Rodin (1840-1917). Sinds 1883 was zij de leerlinge, rechterhand en muze van deze beeldhouwer.

 

In het oeuvre van Camille Claudel komen verschillende muzikale thema;s voor met als hoogtepunt La Valse (1892). Dit werk toont een dansend paar, nagenoeg naakt, met ineengestrengelde lichamen, helemaal onderworpen aan de ritmes van de muziek. Zij lijken te zweven boven de grond en dansen beslist geen romantische wals van Johann Strauss. Veel meer dansen zij op La plus que lente van Debussy.

Lucien Bourdeau schreef in 1893 naar aanleiding van dit beeld “… Maar waar gaan zij heen, verloren in de roes van hun zo nauw verbonden ziel en lichaam? Naar de liefde? Naar de dood? De lichamen zijn jong, ze trillen van leven, maar de gedrapeerde stof die om hen heen slingert, die hen volgt, die met hen ronddraait, klappert als een lijkwade. Ik weet niet waarheen zij dansen, naar de liefde of naar de dood, maar ik weet dat uit dit dansende paar een verscheurende droefheid oprijst, zo verscheurend dat ze enkel van de dood kan komen, of misschien van een liefde nog droeviger dan de dood … “. Van La Valse zijn verschillende uitvoeringen in diverse materialen bekend.

In La Fortune (1900) heeft Camille de beweging van La Valse op een perfecte manier herhaald. Het is een vrouw met één voet op het rad van fortuin, die danst en draait met geblinddoekte ogen en zich overgeeft aan de ritmes van het leven. Een beeld dat niet alleen uiterlijk overeenkomsten heeft met La Valse maar ook inhoudelijk. In La Vie Parisienne verschenen in 1904 de volgende woorden: “U zou ook een het bronzen beeld moeten zien van Mlle Claudel, een kunstenares waarvan men zou kunnen zeggen dat zij een waar genie is … en die ons hier een kleine Fortune toont, die veel weg heeft van een Watteau schilderij met haar verfijndheid en haar kracht, waarmee Claudel tevens ontsnapt aan het massieve en grove van Rodin”.

Debussy schreef in 1890 zijn Suite Bergamasque, die pas vijftien jaar later werd uitgegeven. Bij het horen van deze muziek, met name het populaire Claire de Lune, wordt de sfeer van een ver verleden opgeroepen: de Fêtes galantes uit de Rococo, het 18e eeuwse Watteau landschap “… Que vont charmant masques et bergamasques, jouant du luth, et dansent, et quasi tristes sont leurs déguisements fantasques…”.

Ook in La Vague (1897) kan een parallel getrokken worden naar Debussy. La Vague bestaat uit een enorme golf, die boven drie vrouwenfiguurtjes uittorent. De figuren tonen geen vrees, ze laten zich over aan de geheimen van de natuur. Camille heeft zich voor dit beeld laten inspireren door de Japanse houtsnedekunst. Eind 19e eeuw waren veel kunstenaars in de ban van het Japonisme, wat onder meer tot uitdrukking kwam in het Impressionisme. Zowel Camille als Debussy bewonderden de krachtige en sierlijke lijnen in de Japanse houtsneden en lieten zich hierdoor inspireren. Een houtsnede van Katsushika Hokusai (1760-1849) die in het Rijksmuseum in Amsterdam hangt, toont een opmerkelijke gelijkenis met La Vague. Het is De golf bij Kanagawa uit 1831. In 1905 componeerde Debussy La Mer, drie symfonische schetsen zoals hij ze zelf noemde. Het is een serie van complexe episodes die het hele expressieve scala van vooruit voelende stilte tot stralende zonnewarmte aflopen. In Jeux des Vagues (het tweede deel van La Mer) zweeft een vloeiend thema boven snelle, heen en weer schietende ritmes. het is alsof we in de muziek meevoelen met de drie kleine vrouwenfiguurtjes van Camille in de roerige zee. Misschien dat Debussy niet voor niets een illustratie van La Vague liet opnemen bij La Mer.

 

La Joueuse de Flûte  (1904) laat een vrouw zien, gezeten op een boomstronk met opgetrokken knieën, die helemaal opgaat in haar fluitspel. Ze lijkt op een Muze, waarbij muziek één wordt met de wind in de bossen en de weeklacht van de zeeën. Debussy’s La fille aux cheveaux de lin lijkt bijna een muzikale bewerking van dit beeld.

Het lijkt aannemelijk dat Claude Debussy en Camille Claudel elkaar geïnspireerd hebben, de overeenkosmten in beide oeuvres mogen er zijn. Of de liefdesrelatie er ook is geweest, zal altijd een vraag blijven.

© 2001 Karin Haanappel
Deze tekst is verschenen in de booklet van de CD Claude & Camille – La Valse, met pianowerken van Claude Debussy ter gelegenheid van de tentoonstelling Camille Claudel: Uit de schaduw van Rodin in het Singer Museum Laren (2001)
Meer informatie over mijn onderzoek naar Camille Claudel of het organiseren van lezingen: www.camille-claudel.nl of stuur een email naar info@karinhaanappel.nl